Vrouwelijk vuur

Het brandt in mij. Af en toe zacht smeulend met een prettig warme gloed, soms opwekkend knisperend, dan weer vurig en gepassioneerd, maar sóms, ik bedoel: nú… pfff. Een bosbrand is er niks bij.

Al jaren wakker ik in sessies en retreats vrouwelijk vuur aan. Op mijn lijf geschreven, die rol. Uitnodigen, prikkelen, uitdagen. Oude lagen af schudden en vrij en gepassioneerd tevoorschijn komen, I love it!

Intussen stroom, open, smelt en brand ik zelf natuurlijk mee. Met huid en haar, want zo doen wij dat in huize Van Harten.

Heerlijk, ik wil niks anders. Maar lastig ook soms ook, als mijn levensenergie aanvoelt als een tsunami of wanneer mijn vuur me verschroeit. Circuleren, kanaliseren, verspreiden, erin ademen, ontspannen… mijn hele tantrische trukendoos trek ik open om mijn vurige levensenergie af te stemmen op wat ik op dat moment kan dragen.

En soms lukt het niet. Zoals nu. Ik brand, heviger dan eerder. Ik heb een bijzonder iemand ontmoet. Ik ben geraakt tot in diepe lagen. Er is herkenning, liefde, een gevoel van bestemming.

Het is nog pril en teer. Het vraagt om zorgvuldige afstemming, om heel precies doseren; het luistert nauw.

Maar daar heeft mijn vuur geen boodschap aan. Het is AAN. Vlammen slaan uit. Het fikt als een dolle.

Ik wil alles. Totaal. Tot op het bot. 100 Procent of meer. En nú graag! Queen schreef ‘I want it all’ vast speciaal voor mij.

Een teer lentebloempje, dat vraagt om een behoedzame aanpak, tegenover een uitslaande vrouwelijke bosbrand. Trouble in paradise.

Mijn vuur slaat naar binnen. Het verschroeit me. Mijn wil schreeuwt moord en brand, mijn mind doet destructieve duiten in het zakje en ik draai kringetjes in mijzelf.

In het donker lig ik naar het plafond te staren. Ineens snap ik al die gefrustreerde mannen die de afgelopen jaren in mijn praktijk voorbij kwamen, en al die verbitterde vrouwen. Verlangen dat nergens heen kan, dat te groot lijkt om te dragen. Wat doe je ermee?

De wind huilt om het huis. Zo buiten zo binnen. De natuur roept me. Ik spring uit bed en ga de polder in.

Daar is het onstuimig. Jonge stieren vluchten weg zodra ze me zien. Een luid hinnekende merrie komt vanaf de overkant van de vijver naar me toe galopperen. Ze draait een paar woeste rondjes als ze vlak voor me staat en gooit haar voorbenen in de lucht. Een kikker zit knel in een wildrooster.

Er wordt mij hier van alles gespiegeld, maar wat?

De wind blaast dwars door mijn kleren heen, slaat mijn haar in mijn gezicht. Yes! Fijn. Waai me open. Blaas alles weg wat niet waarachtig is.

Zonder plan dwaal ik rond. Dan sta ik oog in oog met Haar. Met de Oermoeder, althans, zo heb ik haar gedoopt. In wier armen ik kruip als het leven overweldigend lijkt. Die me een diep gevoel van rust en troost geeft en mij eraan herinnert dat ik gedragen word. Dat ik geduld mag hebben. En vertrouwen.

Ik raak haar aan. Leun tegen haar brede achterste. Er vloeien tranen. Herinneringen van me niet ontvangen voelen. Gemis. Eenzaamheid. Het grote verlangen naar me totaal ontmoet weten.

‘Sssshhhttt….’ hoor ik haar rommelen vanuit de diepte. ‘Kom maar hier. Leun maar. Het is niet altijd makkelijk. Maar het komt goed. Het is al goed.’

Ik spreid me uit over haar ronde buik. Ik laat me dragen, wiegen. Langzaam komt er ontspanning in mijn systeem. Ik heb nog geen antwoorden. Maar ik voel weer grond waarop ik kan rusten.

Later, als ik voel dat het tijd is om te gaan, leg ik mijn hoofd tegen haar boezem. ‘Madrecita, wat is je advies?’, vraag ik, stiekem hopend op een praktisch afvink-lijstje.

‘Koester je vuur. Eer je heiligdom. En wees trouw aan je verlangen’, hoor ik vanuit haar -of mijn- diepte.

Ik zucht. Ja, zo is het. Ik weet nog steeds niet hoe. Maar dat lijkt op dit moment niet uit te maken. Ik veel weer ruimte voor vertrouwen.

Ik dank haar en loop terug. De polder is kalm. De hemel is schoon gewaaid, de dieren zijn rustig.

Mijn vel voelt zacht, mijn hart vol en kwetsbaar. Dankbaar om mijn ontmoeting met Haar. Ik mag vertrouwen.

 

Nieuwsgierig naar jouw innerlijke vuur? Ik ga graag met je op onderzoek!